Bali Geschiedenis

Bali

 

Puputan 1906


4 September 7 u. 10 m. v.m. was het eerste echelon van de expeditionnaire troepenmacht bij Sanoer op de kust van Badoeng geland, zonder eenigen tegenstand te hebben ondervonden. Te 7 u. 30 m. v.m. landde de bevelhebber der expeditie, generaal Rost van Tonningen, die persoonlijk het bevel over het gedebarkeerde gedeelte op zich nam. Tegen het vallen van den avond waren alle troepen aan den wal. Reeds den volgenden dag namen de verkenning en de opmarsch een aanvang. Hier en daar deden kleine benden Baliërs zwakke pogingen om lansaanvallen te ondernemen, die steeds gemakkelijk werden afgeslagen; doch overigens bleek maar al te duidelijk, dat slechts enkele weinigen gevolg hadden gegeven aan den oproep van den radja tot een algemeen gewapend verzet. Zoowel uit de hoofdplaats Denpasar als uit de omliggende kampoengs was het grootste gedeelte van de bevolking gevlucht, en de achterblijvenden boden onze troepen vruchten en klappers aan.

 


Zonder den minsten schroom brachten zij hunne gewonden bij onze militaire geneesheeren voor geneeskundige hulp.
Slechts een duizendtal getrouwen hadden zich bij den vorst en zijn gevolg aangesloten. Ook bij den beslissenden aanval op de hoofdplaats Denpassar op 20 December werd geen ernstige tegenstand geboden.
Doch dan plotseling, als een afgedwaald klein groepje van enkele infanteristen onzer aanvalslinie uit een der kampoengranden te voorschijn treedt, staat het onverhoeds voor een verrassend aanvallenden grooten drom vijanden, allen in het wit gekleed ten teeken dat zij zich ten doode hebben gewijd: De radja, zijn familieleden, eenige honderden getrouwen, zijn gevolg, mannen en vrouwen, doen gewapend met de korte lans, een aanval op onze troepen.
Een oogenblik onthutst, zoowel door de omstuimigheid als door het fascineerend beeld van dezen zelfs in deze vreemde omgeving ongewonen aanval, wijkt het verraste troepje voor de geweldige overmacht achteruit en stelt zich achter de muurtjes langs den weg in veiligheid. Een korte weifeling slechts van enkele seconden, waarin echter spontaan enkele sectiën infanterie van rechts en links haastig komen toeijlen, stelling nemen, en al spoedig genoodzaakt zijn enkele salvo's af te geven.
De uitwerking van ons geweervuur was ontzettend. Nóch sommaties om de wapens neer te leggen, nóch het staken van ons vuur, nóch pogingen om de aanvallers te ontwapenen hadden ook maar het geringste succes. Slechts werden er onze verliezen door vermeerderd. Van elke vuurpauze maakten de nog niet gekwetsten gebruik om de eigen gevallenen te krissen en daarna opnieuw aan te vallen. Zelfs vrouwen met zuigelingen op den arm en het blanke wapen in de hand drongen met ware doodsverachting voorwaarts.
Hier was ieder beroep op bezinning vruchteloos: Voorwaarts! De korte lans en de kris in de hand, gingen zij een roemvollen dood tegemoet; aldus speelde zich de "poepoetan", een heftig, geweldig drama in enkele minuten tijds af; een vorstengeslacht had zich ten doode gewijd, en aan de Balische eer was voldaan.
Met eenzelfde beklemmend en bloedig slot eindigde dien dag ook de strijd bij de poeri van den medebestuurder te Pametjoetan. Twee vorstengeslachten met hun gevolg en 6oo getrouwen hadden den dood verkozen boven de nederlaag.

Zes dagen later, 26 September, rukten onze troepen op naar Tabanan. Reeds halverwege den tweedaagschen opmarsch kwam de radja met zijn familieleden en rijksgrooten de expeditionnaire colonne tegemoet om zijn onvoorwaardelijke onderwerping aan te bieden.
Deze werd aangenomen, doch met de mededeeling, dat de vorst met zijn familieleden voorloopig op Lombok zou worden geïnterneerd. Om zich aan de schande van deze verbanning te onttrekken pleegden de radja en zijn zoon, de vermoedelijke troonopvolger, in den nacht vóór hun vertrek naar Lombok zelfmoord. Wat de bevolking van Tabanan betreft, ook bij haar was geen spoor van vijandige, gezindheid jegens onze troepen te bekennen.
Met deze feiten voor oogen was de lust tot verzet bij de zelfbesturen van Bangli en Kloengkoeng verdwenen. De vorsten toonden zich thans meer handelbaar, en maakten ook geen bezwaar meer tegen het teekenen der nieuwe contracten.
Allerwegen werden thans de vuurwapenen ingeleverd, talrijke pandelingen en slavinnen uit de vorstenverblijven in vrijheid gesteld, de bekende nieuwe bestuursmaatregelen ingevoerd en landschapskassen ingesteld.

Bron: J.C. Lamster - J.B. Van Heutsz als Gouverneur -Generaal 1904-1909

Volgende pagina >>