Tijdlijn-geschiedenis van Bali
| Periode | Gebeurtenis |
|---|---|
| 1900 | Gianyar onderwerpt zich aan het Nederlands gezag. |
| 1903 | De laatste mesatya (weduwenverbranding) vindt plaats. |
| 1904 | De Chinese schoener Sri Kumula lijdt schipbreuk op de klippen bij Sanur.
Het schip wordt door de vorst van Badung in beslag genomen. Volgens de Nederlanders is dit tegen de gemaakte afspraken in. In naam van de kapitein, vragen de Nederlanders 7500 gulden schadevergoeding aan de vorst. Deze blijft weigeren - omdat de eis als een inbreuk wordt beschouwt op het adatrecht (kliprecht- tawan karang) - en hij wordt daarbij gesteund door de vorst van Tabanan. |
| 1906 | 26 september- Het getouwtrek om
schadevergoeding vanwege de 'geroofde' lading van de Sri Kumula duurt nu al 2 jaar, en uiteindelijk landen Nederlandse
troepen op het strand van Sanur en rukken op naar het paleis
in Badung (nu Denpasar). De vorst en zijn gevolg treden hen
tegemoet, gekleed in statiegewaden en klaar voor de puputan.
In deze zelfdodingsceremonie steken de leden van het
gezelschap elkaar dood met lansen en krissen. De vrouwen
werpen honend sieraden naar de Nederlandse soldaten. Het hele
hof sterft gezamenlijk en het slagveld voor het brandend
paleis is bedekt met stapels lichamen. Het puputan-ritueel
wordt diezelfde dag in de namiddag herhaald in Pamecutan, een
kleiner paleis in Badung en twee dagen later in het paleis van
Tabanan. ![]() Voorts is er nooit een onderzoek geweest naar de ware toedracht rond de gebeurtenissen mbt de zgn. "strandroof " die geleid hebben tot de puputan te Badung Zie voorts: Puputan 1906 |
| 1908 | In april van dit jaar komt
het nog één keer tot korte heftige uitbarstingen, toen de
Nederlanders de Balische opiumhandel wilden plaatsen onder het
stelsel van de Opiumregie. Onder dit stelsel
werd de ruwe opium bereid tot rookopium en gewaarmerkt
verkocht door Nederlandse ambtenaren. Uiteraard zouden de
opbrengsten de Nederlandse schatkist alleen maar spekken; want
steeds ging het de Nederlandse Staat vooral om het vergaren
van inkomsten. De vorst van Klungkung en zijn familieleden
voelden zich hierdoor echter benadeeld. Aangezien Bali veel
opium gebruikte waren de inkomsten - accijnzen - van de
vorsten dus niet gering. Een en ander gaf aanleiding tot
onenigheid en opstanden in Klungkung.
De Nederlanders beschouwen dit als een schending van het verdrag die zij hadden gesloten op 14 oktober 1906 met Dewa Agung Jambe van Klungkung en de Dewa Gede Tangkeban van Bangli. In dit contract werd bepaald dat het Nederlands Indisch Gouvernement heer en meester was ook in de rechtsgebieden van beide vorsten.Tijdens een schermutseling in Gelgel in april wordt een Javaanse opiumhandelaar gedood en zijn winkel geplunderd. De Cokorda van Gelgel vlucht naar Klungkung om asiel te zoeken bij de Dewa Agung. De Nederlanders rukken nu op naar het paleis te Klungkung en eisen de uitlevering van de Cokorde. Deze eis wordt geweigerd ( 28 april) en als herhaling van de puputan van 1906 marcheren de Dewa Agung en zijn gevolg in de richting van de Nederlandse troepen. Er kwomen 3500 Balinese mannen, vrouwen en kinderen om. Hiermede komt een einde aan het vorstenhuis van Klungkung en wordt Bali uiteindelijk deel van het Nederlandse koninkrijk. Tegenwoordig zien goed opgeleide Balinezen het Puputan-bevel als een
onnodige zelfmoordactie. Ook worden openlijk vraagtekens bij de
beslissing van de vorst om zijn gehele volk in de verloren
strijd te gooien. ‘Waarom koos hij geen diplomatieke weg of
vredige oplossing om zijn volk te redden?’ zo vraagt men
zich af. De Nederlanders begrijpen dat ze het een en ander goed te maken hebben en introduceren hervormingen vanuit een ethische politiek. Er mag zich geen Nederlandse kolonie vestigen en Nederlanders mogen er niets verbouwen zoals op Java. Balinese boeren worden beschermd tegen westerse exploitatie op grote schaal en tegen de plotselinge schok die invloeden van buitenaf teweeg zouden kunnen brengen. Men heeft daarom een ‘conservatieve’ houding ten opzichte van de Balinese cultuur. Het liefst had men de gemiddelde Balinees ook op het niveau van de lagere school willen houden. Nederlandse wetenschappers luiden een tijdperk van culturele bloei in. Op 28 april 1908 (de laatste puputan in Klungkung) kwam een eind aan het laatste onafhankelijke Balinese koninkrijk, en volgens sommigen aan het klassieke Bali zelf.
|
| 1913
|
![]() Poster |
| 1918 | Besluit van de koloniale regering om Bali voor invloeden van buiten en voor economische uitbuiting te behoeden. |
| 1920-1935
|
Buitenlandse
wetenschappers, kunstenaars en musici ‘ontdekken’ Bali. Hun
resultaten maken ze wereldwijd bekend. Onder de bezoekers zijn
de antropologen Margaret Mead en Gregory Bateson; kunstenaars
als de Duitser Walter Spies, de Nederlander Rudolf Bonnet, de
Mexicaan Miguel Covarrubias en de Canadese musicoloog en
componist Colin McPhee.![]() Colin McPhee |
| 1925 | Bouw van het Bali Hotel te Denpasar door de KPM. |
| 1936
|
De oprichting van Pita Maha
('Groot Vader', een Hogere Macht met zijn vitaliserende
werking) door Rudolf Bonnet, Cokorde Gde Agung Sukawati
en Walter Spies, met als doel de bescherming, bevordering en
verspreiding van de Balinese kunst. Andere schilders die tot
deze groep behoren zijn Gusti Nyoman Lempad, Anak Agung Gede
Sobrat, Dewa Putu Ding and Ida Bagus Made Nadera. Balinese
kunstenaars stappen nu af van de traditionele religieuze en
mythologische motieven en beginnen onderwerpen uit het
dagelijkse leven te schilderen. Men men maakt nu gebruik van
meer kleuren(schakeringen) en licht-donkereffecten o.m. voor
het verkrijgen van meer reliëf. De zgn. "Ubudstijl", naar het
gelijknamige stadje in de provincie Gianyar, wordt ontwikkeld.
Deze stijl heeft vooral als thema's sawah's en oerwoud,
met daarin veel mythische scènes, tempelfeesten, dansen en
taferelen uit het leven van de rijstboeren.
Tot de jaren 20 diende de Balinese kunst traditioneel als versiering van tempels, paleizen en andere officiële gebouwen (bv in Kamasan, Klungkung). De ontwikkeling van de Balinese Modernisten is vooral te danken aan twee Europese kunstenaars: aan de schilder-choreograaf-schrijver-fotograaf en maecenas Walter Spies (1880-1942), die zich in 1927 op Bali vestigde en aan de Nederlandse kunstenaar Rudolf Bonnet (1895 - 1978). Spies voorzag de jonge, getalenteerde kunstenaars van betere materialen en alternatieve onderwerpen voor hun schilderijen. Zo ontstaan naast de traditionele Hindu-thema's, zoals de 'Ramayana'-legendes, ook schilderijen met onderwerpen uit de directe omgeving van de kunstenaars, zoals de natuur, de jacht en het dagelijks leven in de dorpen. Typerend voor dit Balinese modernisme is dat (met name in het dorp Batuan) het gehele beeldvlak tot in detail wordt opgevuld, dat perspectief nauwelijks wordt gebruikt en dat er veel aandacht is voor de ritmische stilering van groepjes bomen, bladeren, figuren en rimpelend water. Deze 'geraffineerd' naïeve stijl is in de westerse kunst terug te vinden in Vlaamse middeleeuwse miniaturen en in de sprookjesachtige voorstellingen van Henri 'Le Douannier' Rousseau. De Balinese modernistische schilderijen, tekeningen en houtsculpturen vonden hun weg naar een gestaag groeiende groep elite-toeristen. - Daarnaast moet ook de Belgische kunstenaar Le Mayeur worden genoemd. In Sanur is een museum te bezichtigen waarin vele van zijn werken te bekijken zijn. |


